Anne Frank

Doorgangskamp Westerbork
8 augustus – 3 september 1944
Voorproef Tussen de barakken


De familie Frank komt uit Duitsland. Vader Otto en moeder Edith (geboren Holländer) wonen met hun dochters Margot en Anne aan de Marbachweg 307 in Frankfurt am Mainz en verhuizen in maart 1930 naar de Ganghoferstrasse 24. Een jaar later begint de opmars van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP). Leden van de Sturmabteilung trekken luidruchtig door de straten en zingen hun haatdragende liederen over Joodse landgenoten. Het is een de velen angstaanjagende voorbode van een steeds extremer en opener beleden racisme. Tijdens de verkiezingen van 1932 komt de NSDAP als grootste uit de bus. Op 30 januari 1933 wordt hun leider Adolf Hitler geïnstalleerd als rijkskanselier. De nazi’s zijn aan de macht.

Het nieuwe politieke klimaat vormt een belangrijke reden voor de familie Frank om naar Nederland te emigreren. Otto reist in juli 1933 naar Amsterdam en begint aan de Singel 400 een firma in zoetstof. Nadat hij aan het Merwedeplein 37 in Zuid een woning vindt, komen in december Edith en Margot over. Anne volgt in februari 1934.

Na de capitulatie van 15 mei 1940 zijn de nazi’s ook in Nederland de baas. Otto lijkt vooralsnog te vertrouwen op een goede afloop. Met zijn eveneens uit Duitsland gevluchte zakenpartner Hermann van Pels vestigt hij zich op 1 december 1940 in een groot pand aan de Prinsengracht 263. Het optimisme wordt snel gelogenstraft. Enkele maanden later wordt tijdens de razzia van 22 februari 1941 een eerste groep Joodse burgers opgepakt. Aan het Merwedeplein ziet de familie Frank, net als een paar portieken verder de pas verhuisde familie Velleman, het gevaar steeds dichterbij komen. Als tijdens de tweede razzia op woensdag 11 juni ook in hun eigen buurt mensen opgepakt worden, besluit Otto een schuilplaats in te richten boven het magazijn in de leegstaande ruimtes aan de achterzijde van het bedrijfspand aan de Prinsengracht. Uit voorzorg.

Op vrijdag 12 juni 1942 viert Anne haar elfde verjaardag. Als cadeau krijgt ze een rood geruit schrift dat ze eerder zelf heeft uitgekozen. De bladzijden zitten stevig ingenaaid in een kartonnen kaft dat met een slotje aan de voorkant beveiligd is tegen ongewenst meelezen. Ze wil er een dagboek in bij gaan houden. Drie weken later schrijft ze dat er op zondag 5 juli 1942 om 15 uur ’s middags een persoon aan de deur is gekomen met een oproep van de SS. Zus Margot moet zich melden. Ze zal tewerkgesteld worden in Duitsland, het land dat het gezin acht jaar geleden ontvlucht is. Otto en Edith besluiten dat het tijd is om onder te duiken. Direct de volgende dag nemen de gezinsleden hun intrek in het achterhuis aan de Prinsengracht. In de dagen en weken erna worden ze gevolgd door Hermann van Pels met zijn vrouw Auguste (geboren Röttgen) en hun zoon Peter, en de bevriende tandarts Fritz Pfeffer. Met de bewoners en hun helpers, haar fictieve dagboekvriendinnen en de droom om ooit een beroemd schrijfster en journaliste te worden, probeert Anne er het beste van te maken.

Uit haar dagboek blijkt dat Anne op de hoogte is van het drama dat zich buiten voltrekt. In 1942 worden op Jom Kipoer, de Grote Verzoendag, alle Joodse mannen die in Nederlandse werkkampen verblijven op wrange wijze herenigd met hun families. Op woensdag 2 en donderdag 3 oktober 1942 worden alle gezinsleden uit de kampen en huizen gehaald, bijeengedreven en doorgestuurd naar Hooghalen. Op 9 oktober 1942 schrijft Anne daarover aan een van haar zelfgecreëerde vriendinnen.

‘Lieve Kitty, Niets dan nare en neerdrukkende berichten heb ik vandaag te vertellen. Onze vele joodse kennissen worden bij groepjes opgepakt. De Gestapo gaat met deze mensen allerminst zachtzinnig om. Ze worden gewoon in veewagens naar Westerbork, het grote jodenkamp in Drenthe, gebracht.’

Haar eigen lot beschrijft Anne niet. Het dagboek eindigt op dinsdag 1 augustus 1944. Drie dagen later worden de bewoners van het achterhuis ontdekt. Na een verhoor in de Zentrastelle für jüdische Auswanderung aan het Adadema van Schetemaplein 1, zitten ze vanaf 5 augustus opgesloten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, wachtend op dat wat komen gaat.

Op dinsdag 8 augustus worden de acht onderduikers van de Prinsengracht samen met tachtig andere gevangen per tram naar het Amsterdams Centraal Station gebracht. Met 19 graden, een zwakke noordwestenwind en geen bewolking van betekenis is het een mooie zonnige dag. ‘We wisten waar we heen gingen, maar toch was het alsof we nog eenmaal samen op reis waren, en eigenlijk waren we opgewekt’, zal vader Otto zich na de oorlog herinneren. Per trein worden ze onder bewaking oostwaarts gestuurd. Via Hilversum, Amersfoort, Zwolle, Meppel en de aftakking bij station Hooghalen rijden ze na een reis van 5 tot 6 uur kamp Westerbork binnen. Als onderduikers worden ze in een van de strafbarakken geplaatst. Het is dezelfde barak – nummer 67 – waarin het populaire duo Johnny and Jones, dat zich ook in het kamp bevindt, een jaar eerder opgesloten heeft gezeten. Strafgevangenen krijgen de smerigste klussen toebedeeld. Twee keer per dag loopt Anne van de strafbarak aan de noordkant van de Boulevard des Misères over het spoor naar een industriebarak aan de zuidkant. Hier in barak 56 haalt ze van 7 uur ’s ochtends tot 19 uur ’s avonds gebruikte batterijen uit elkaar. Met een hamer en beitel timmert ze het teer van de koolstaaf en verwijdert ze de metalen hoedjes. De opbrengsten van de vieze en ongezonde werkzaamheden worden hergebruikt in de Duitse oorlogsindustrie. Tussen de middag en in de avond heeft ze, nadat ze zich in het badhuis (barak 27 aan de Rampe) heeft verschoond, even tijd voor zichzelf. Na twee jaar afzondering in het achterhuis krijgt ze de eindelijk de gelegenheid oude en nieuwe bekenden te spreken. Terwijl de vijftienjarige zich buiten met haar leeftijdsgenoten vermaakt, overdenken Otto en Edith binnen hun onzekere toekomst.

Na een verblijf van vier weken in Westerbork worden Anne, Margot, Edith en Otto op zondag 3 september 1944 naar de trein begeleid. Leden van de Ordnungsdienst wijzen naar de kale veewagen waarin de familie Frank geacht wordt plaats te nemen. Binnen zitten ze met hun lotgenoten rond een grote berg met koffers, tassen en bezittingen die nog niet in beslag zijn genomen. De voorzieningen voor onderweg betreffen twee tonnetjes. Een bevat drinkwater en de ander doet dienst als toilet. Ze zullen zich er drie dagen mee moeten redden. Vanaf het perron worden de deuren door de ordebewaarders dichtgeschoven en op slot gedaan. Anne wordt afgevoerd met 1.019 lotgenoten. De trein gaat eerst in noordelijke richting en dan oostwaarts via Haren  naar Hoogezand-Sappemeer. Na Winschoten passeren ze tussen de stations van Nieuweschans en Bunde de grens met Duitsland. Anne is terug in het land waar ze op woensdag 12 juni 1929 in Frankfurt am Mainz, in de kraamkliniek ‘Maingau’ aan de Eschenheimer Anlage 7, het levenslicht zag. Toen het gezin vier jaar later naar Amsterdam vertrok hoopten ze de rampspoed voor te kunnen blijven. Nu passeren ze station Weener op weg naar Leer. Het transport van zondag 3 september is een van de laatsten uit Westerbork en tevens het laatste met bestemming vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.

Bronnen Anne Frank